Maarten Luther  over het hart van de mens en de muzikale vertolking daarvan door Johan Sebastiaan Bach

Johan Sebastian Bach werd in 1685 geboren in Eisenach, een niet al te grote stad in het Thüringse woud. Wie door het stadje loopt, ziet op een van de omringende heuvels een burcht die ook in Bachs tijd beroemd was: de Wartburg. Natuurlijk heeft men de jonge Johan Sebastian gewezen op het kasteel. Men zal hem verteld hebben dat Luther er een jaar verblijf had gehouden en dat hij er het Nieuwe Testament uit het Grieks vertaalde. Vanzelfsprekend is hem ook ter ore gekomen dat diezelfde Luther toen hij nog jong was, een tijdlang in Eisleben woonde. Hij was er koorknaap. In zijn jonge jaren trok hij er op Silvester-avond op uit om al zingend de huizen langs te gaan, terwijl hij de hand ophield om wat geld te ontvangen – allemaal dingen die ook van de jonge Johan Sebastian golden. Het zal indruk op de jongen gemaakt hebben, ondanks het feit dat het gebeurtenissen betrof van meer dan een eeuw geleden.

Bach kon echter als jongen niet vermoeden hoe groot de invloed van Luther op zijn latere leven zou zijn. Zoals ook Luther niet heeft kunnen vermoeden dat hetzelfde Eisenach waar hij een deel van zijn jeugd doorbracht, een kunstenaar zou voortbrengen die zijn boodschap zo zou vertolken dat zij over de hele wereld gehoord zou worden, tot in Korea, Japan en China toe.

Luther – zijn bijbelvertaling en liederen

Maarten Luther verbleef op de Wartburg vanaf 4 mei 1521, korte tijd nadat hij op de Rijksdag in Worms voor de  keizer stond. Hij moest er verantwoording afleggen voor wat hij in de afgelopen jaren door de verkondiging van het Evangelie teweeg had gebracht. Hij sprak er de beroemd geworden woorden: ‘Mijn geweten is in het Woord van God gebonden, hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij, Amen.’ Het had gemakkelijk verkeerd voor hem kunnen aflopen. Op de keizer was een beroep gedaan om hem als ketter te bestraffen. Als de keizer daar gehoor aan had gegeven, zou Luther hetzelfde lot te beurt zijn gevallen als een eeuw voordien Johannes Huss die op de brandstapel de dood vond.

Dat het zover niet is gekomen, is te danken aan de keurvorst van Saksen, Frederik de Wijze. Deze had de jonge Karel van Habsburg, die dong naar het keizerschap, toegezegd dat hij zijn kandidatuur zou ondersteunen, mits hij beloofde Luther geen kwaad te doen. Zo gebeurde het. Luther mocht ongedeerd de terugreis naar Wittenberg aanvaarden. Dat nam niet weg dat hij moest vrezen voor zijn leven: de keizer verklaarde hem wel vogelvrij.

Op de terugweg naar Wittenberg werd Luther bij Schmalkalden overvallen en ontvoerd. Maandenlang tastte men over zijn lot in het duister. Vriend en vijand gingen ervan uit dat hij ter dood was gebracht. Wat weinigen vermoedden, was dat Frederik de Wijze achter de ontvoering zat. Hij had Luther laten gijzelen en naar de Wartburg laten brengen. Daar zou hij veilig zijn. Hij verbleef er een jaar lang – vermomd als ridder onder de schuilnaam ‘Junkherr Jörg’.

 

De eerste weken van zijn verblijf op de Wartburg moeten voor Luther zwaar geweest zijn. Terwijl Europa door zijn toedoen in rep en roer was, was hij ertoe veroordeeld zich stil te houden. Hij moest werkeloos toezien hoe de dingen zouden gaan. Stil zitten lag niet in zijn natuur en de eenzaamheid deed hem geen goed – al te gemakkelijk kon de boze hem bestoken met twijfel en aanvechting: ‘Heb jij het alleen bij het rechte eind, denk jij alleen wijs te zijn?’ Dat alles dreef hem ertoe om iets te ondernemen. Maar wat?

Luther nam zich voor het Nieuwe Testament te vertalen uit het Grieks in het Duits. Binnen een jaar had was de vertaling voltooid, mede dankzij de hulp van zijn vriend en collega Melanchton die een buitengewoon grote kennis van het Grieks bezat.

Het verschijnen van dit Nieuwe Testament is een unieke gebeurtenis geweest, niet alleen voor de kerk, maar ook voor de Duitse en Europese cultuur. Luther heeft er de Duitse taal mee geschapen. In het Duitse Rijk werden tal van dialecten gesproken. Luthers bijbelvertaling heeft gezorgd dat één taal de norm werd in alle gebieden van het rijk. Hij nam de kanselarijtaal uit Praag en Meisen, die hij als student in de rechten goed had leren kennen, als uitgangspunt. Daarnaast oriënteerde hij zich op het Saksische dialect. Als het nodig was, smeedde hij zelf nieuwe woorden. Hij stempelde er de Duitse taal mee en gaf haar een geheel eigen karakter.

Het Duits dat hij ‘schiep’, was dermate aansprekend, sprankelend en krachtig dat het als vanzelf zijn weg vond in het hele Rijk. Daaraan heeft natuurlijk ook de boekdrukkunst bijgedragen. Die maakte het mogelijk dat de Bijbel overal verspreid werd. De prijs van een boek was betaalbaar geworden. De ‘gewone man’ kon het zich veroorloven een Bijbel te kopen en in de huiskamer te lezen. Luther heeft op die manier de Duitse geest gevormd.

 

Dit laatste deed Luther ook door zijn (kerk)liederen. Nadat de Reformatie in veel Duitse vorstendommen was ingevoerd, liet de vormgeving van de eredienst nog lange tijd te wensen over. Dat bleek ondermeer uit visitatierapporten van 1529. Visitatoren signaleerden een groot gebrek aan goede, christelijke liederen in de volkstaal. Luther zette zich aan het werk en componeerde er meerdere.  Anderen volgden zijn voorbeeld, geheel in zijn geest. Zowel in de eredienst als thuis werden ze door de gelovigen gezongen. Zo raakten ze in heel Duitsland (en daarbuiten!) bekend. Door de aansprekende teksten en melodieën ervan raakten ook kinderen van jongsafaan vertrouwd met het Evangelie dat door Luther was uitgedragen. Dat gold ook voor Johan Sebastian Bach die deze liederen als jongen en als koorknaap zong en later muzikaal bewerkte.

 

De taal van de Heilige Geest

Welke geest ademden Luthers vertaling en zijn gezangen? Ik ken weinigen die dit zo duidelijk hebben gemaakt als de Zweeds-Duitse taalgeleerde Birgit Stolt. Zij schreef enkele kundige en aansprekende boeken over het karakter van Luthers taal.

Uit de studies van mevrouw Stolt blijk zondermeer dat Luther een groot taalvirtuoos is geweest. Hij had oog voor het wonder, de rijkdom en de betekenis van wat menselijke taal betekent, juist van de talen waarin de Bijbel geschreven was. Luther heeft zich veel moeite gegeven om de ‘bijbeltalen’ te leren.

Vanaf 1516 maakte Luther dankbaar gebruik van de eerste westeuropese uitgave van het Nieuwe Testament in het Grieks, die verzorgd was door Erasmus. Voor zijn studie van het Grieks kon Luther terugvallen op de kennis van Philippus Melanchton die op 19-jarige leeftijd in Wittenberg hoogleraar in het Grieks was geworden. De oom van Melanchton, Reuchlin, was een specialist in het Hebreeuws. Ook deze taal heeft Luther geleerd.

Luther was diep doordrongen van het belang van de talenkennis voor de bestudering van de Bijbel. In de controverse met Rome en met vele anderen kwam het vaak aan op de details van de bijbeltekst. Wie zich kon beroepen op het Grieks of het Hebreeuws stond sterk. Een prediker die die talen kent, is in staat met een zeker gezag te spreken: hij put zijn boodschap direct uit de Schrift, uit de woorden die volgens Luther doorademd zijn door de Heilige Geest.

 

Zo zeer is Luther doordrongen van het belang van talenkennis dat hij er in twee geschriften uitdrukkelijk aandacht aan besteedt. In 1524 moedigt hij de Duitse stadsraden aan om scholen op te richten. Zes jaar later dringt hij er in een preek bij ouders op aan om hun kinderen goed onderwijs te laten volgen. Hij werkt de preek uit in een boekje, zodat hij het hele Duitse volk kan bereiken. In beide geschriften onderstreept hij het belang van twee vakken: geschiedenis en talen. Er moeten goede juristen en predikanten zijn. Er moeten jonge mensen zijn die Latijn, Grieks en Hebreeuws kennen! De ‘bijbeltalen’ vormen, aldus Luther, het omhulsel voor het zwaard van de Heilige Geest. Hij bedoelt: de kracht van de boodschap ligt verscholen in het eigene van deze talen – in de syntaxis, de grammatica, de werkwoordsvormen, de klankkleur, kortom: in de nuances ervan. Wie ermee vertrouwd is, proeft de geestkracht erin. De Geest waait vanaf het bijbelblad naar hem toe en de rijkdom van het Evangelie wordt hem duidelijk. Hij is in staat deze uit te dragen en het geloof te verdedigen, iets waarmee hij de Kerk (en via de Kerk het volk) kan dienen.

 

Wat Luther bedoelt, maakt het bijbelonderzoek van de afgelopen eeuw duidelijk. De nieuwtestamentische verkondiging vond plaats in het zogenaamde koinè-Grieks, de eenvoudige volkstaal die in het hele Romeinse rijk in de tijd van Christus gesproken werd. Het Grieks van de bijbelschrijvers heeft desondanks iets bijzonders. Het heeft een lading die de taal voorafgaand aan hun prediking niet of nauwelijks had. Veel Griekse woorden kregen door de verkondiging van Christus een diepere en grootsere betekenis. De Duitse geleerde Martin Hengel geeft er in een voortreffelijk boekje over het taaleigen van het Nieuwe Testament meerdere voorbeelden van. Het spreken van de eerste christenen (dat zijn neerslag heeft in het Nieuwe Testament) kwam voort uit een ervaring die men voordien zo niet kende. Daardoor kregen veel woorden een rijkere lading, ze werden als het ware uit hun voegen getild. Het was als met een rivier, die buiten zijn oever treedt. De rivier is als zodanig nog herkenbaar, maar de bedijking voldoet niet meer om het water binnen de perken te houden. Hengel spreekt van een ‘taalexplosie’. De oorsprong ervan zoekt hij in de ervaring van Gods genade door de eerste christelijke gemeente. Hij wijst op het Pinksterfeest, waarvan Lukas zegt dat de gemeente zo vervuld werd met de Geest van God dat men met nieuwe talen sprak!

Luther heeft dus oog gehad voor de ‘geestkracht’ van het nieuwtestamentisch Grieks. Hij zelf heeft er in zijn bestudering van de Bijbel de kracht van ondervonden. Juist daardoor zag hij kans deze geestkracht over te brengen in de Duitse taal. De Reformatie was er het gevolg van. Wellicht kan men zeggen dat zich daardoor opnieuw een soort Pinksterwonder voordeed. Door de taal van de Bijbel in het Duits over te brengen ging iets van de kracht en de lading die in het Grieks en het Hebreeuws verborgen liggen, over in de Duitse taal.

Luther was daarbij de bemiddelende figuur. Hij kon dat zijn omdat hij de kracht van het bijbelwoord had ondervonden. Het zwaard van de Heilige Geest was uit het schede tevoorschijn gekomen en had hem innerlijk geraakt. Hij had ondervonden wat de brief aan de Hebreeën zegt: ‘Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en is een oordelaar van de gedachten en overleggingen van het hart.’ (Hebreeën 4 vers 12)

 

De taal van de Heilige Geest – de taal van het hart

Daarmee is een belangrijk woord gevallen: ‘het hart’. In een van haar boeken waarin Birgit Stolt onderzoek doet naar het eigene van Luthers taal, typeert zij deze als taal van het ‘hart’. Wat wil dat zeggen?

Wie Luther leest, ontdekt al snel dat hij de gave bezat om pakkend te schrijven en te preken. Hij heeft zich daarop toegelegd. Al in zijn kloostertijd ontwikkelde hij een levendige belangstelling voor retorica. In dit opzicht leefde hij in een boeiende tijd. Al in de veertiende en vijftiende eeuw ontdekten Italiaanse geleerden, die aan de wieg stonden van de Renaissance en het Humanisme, de betekenis van de welsprekendheid. De beroemdste was Petrarca (1304 – 1374), die er zich op toelegde de stijl van Cicero na te bootsen. Door welsprekendheid kan de retor boeien. Door de charme van het woord houdt hij de aandacht van zijn gehoor vast. Nog belangrijker is dat welsprekendheid tot gevolg heeft dat zij iemand ontvankelijk maakt voor de boodschap die de retor uitdraagt. De bonae literae (…) dragen bij aan de overredingskracht van een betoog. Wie aangenaam spreekt of schrijft, raakt harten aan. Ruim een eeuw later gingen Agricola en Erasmus verder in het spoor van Petrarca, waardoor de ideeën die in Italië opgeld hadden gedaan, invloed kregen in de landen boven de Alpen. Zij propageerden de kennis van de oudheid en zorgden er door hun publicaties voor dat klassieke schrijvers als Cicero, Seneca en vele anderen in West-Europa bekend werden.

Zoals gezegd: ook de jonge Luther is beïnvloed door het Humanisme. Hij verdiepte zich in de geschriften van Cicero voor wie hij grote waardering had. Vooral de adviezen van Quintilianus in zijn ‘De opleiding tot redenaar’ nam hij ter harte. Quintilianus wees erop dat ‘overtuigen’ niet in eerste instantie bereikt wordt door de redelijkheid van een argumentatie, maar door het raken van het hart, door iemand te raken in zijn ‘affecten’. Ook de werken van Lorenzo Valla (1407 – 1457) behoorde tot Luthers geliefkoosde literatuur. Valla was een warm pleitbezorger van de klassieke Latijnse literatuur. Luthers preken laten zien dat hij met hun adviezen rekening hield.  Ze waren direct en pakkend, gelardeerd met sprekende voorbeelden. Ook Luther wist te boeien.

 

Luthers omgang met de taal wordt gekenmerkt door de wens om de ‘affecten’ van de mensen aan te spreken. Toch deed hij meer. We zagen dat hij het ‘hart’ aansprak. Het ‘hart’ is voor Luther niet hetzelfde als het geheel van de menselijke affecten.  Het is meer. Wie zich daarvan rekenschap wil geven, moet er zich van bewust zijn dat Luther leefde vóór de tijd van de Verlichting (17e en 18e eeuw).

 

Tijdens en na de Verlichting is de Europese mens geneigd om het innerlijk van de mens in twee gebieden te verdelen: het verstand en de emoties. Beide houden verband met elkaar. Onze emoties worden aangesproken als wij iets (gaan) begrijpen. Wanneer iemand een nare of blijde boodschap hoort en hij zich realiseert wat gezegd wordt, heeft dat tot gevolg dat zijn emoties worden geraakt. Emoties ontstaan echter ook op momenten waarop het verstand niet bij machte is te begrijpen wat er gebeurt. Een schokkende gebeurtenis, een traumatische ervaring, zorgt ervoor dat iemands emoties worden geraakt. Het verstand probeert wat er gebeurt, te doorgronden, maar het ziet daar geen of nauwelijks kans toe. Het kan wellicht ook later geen ordening aanbrengen in het gevoelsleven. De gebeurtenis is van dien aard dat het verstand ‘stil staat’. Maar des te meer spreekt het gevoel, de emotie. Er is geen balans (meer) tussen het verstand en de emotie. In zulke gevallen probeert de psychologie via gesprekken en herbeleving van de traumatische ervaring de balans te herstellen. Neurotische patiënten worden aangemoedigd om te vertellen wat hun levensgeschiedenis is. Als vanzelf wordt de spanning waarmee zij lopen, minder en worden de gevoelens hanteerbaar. Getraumatiseerden helpt men op een speciale manier om enigszins bij hun emoties te komen. Daardoor krijgt het verstand weer enigermate vat op het gevoelsleven.

De grote vraag is hoe emoties en verstand zich tot elkaar verhouden. Hier staat ook de moderne psychologie voor een raadsel. In de 20e eeuw postuleerde Freud het onderbewuste als het gebied waar verborgen driften en een verdrongen schuldgevoel voor spanningen zorgen. Via therapie kan men bereiken dat iemand met deze spanningen kan leven en op een vrij normale manier in het sociale verkeer met anderen kan omgaan.

 

De vraag is of er niet meer te zeggen valt over de mens en het donkere gebied waarover Freud spreekt. Doet men de mens niet meer recht als men weer oog heeft voor wat men voorafgaand aan de Verlichting ‘het hart’ noemde? Het hart is meer dan het onderbewuste. Het is ook meer dan wat men verstaat onder ‘emoties’ en ‘affecten’ .

Het is duidelijk dat er in het innerlijk van de mens meer omgaat dan wat gevat kan worden in woorden als ‘emotie’ en ‘affecten’. Dat wordt zichtbaar bij neurosen en traumatische ervaringen. Het wordt ook duidelijk als er sprake is van hoop, vreugde en dankbaarheid. Een jongen die van een meisje is gaan houden, voelt de liefde heel diep. De contacten met zijn meisje zijn van dien aard dat er een wereld voor hem open gaat – het is alsof hij niet alleen haar, maar ook zichzelf leert kennen door wat hem overkomt. Het woord ‘emotie’ doet geen recht aan wat in hem omgaat. Ook zijn verstand is niet in staat het te peilen. Waar ontspringt zijn liefde? Aan een verborgen trauma, een ‘natuurlijke behoefte’, een drang tot voortplanting? Of ontspringt zijn liefde aan wat Luther noemde, het ‘hart’ en kan het zijn dat de moderne mens nauwelijks meer weet wat het hart is en hoe hij toegang kan krijgen tot het hart? Leven wij met een verkommerde antropologie?

 

Zoals gezegd: Luther leefde voorafgaand aan de Verlichting. In zijn tijd was de antropologie van de Grieken (en de kerkvaders) gangbaar. Van hen heeft Luther geleerd om met betrekking tot het innerlijk van de mens onderscheid te maken tussen geest, ziel en begeerten.

De geest is datgene waarmee de mens in betrekking staat tot God, tot de wereld die verder reikt dan de horizon van deze aarde: de eeuwigheid. In de ziel oefenen het verstand en de wil hun functies uit, terwijl de begeerten zowel goed als kwaad kunnen zijn. De geest staat boven de ziel en de ziel (waarin het verstand en de wil zetelen) boven de begeerten. Het punt nu waar de geest van de mens zijn ziel raakt, is het hart. Daar laten ook de begeerten hun stem horen. Het hart is dus het punt waar de geest en ziel en begeerten elkaar ontmoeten . Dát geest en ziel elkaar ontmoeten is zeker. De vraag is hóe de geest en de ziel (verstand en wil) en de begeerten elkaar in het innerlijk van de mens ontmoeten, in welke verhouding ze tot elkaar staan en hoe de mens zich tot dit punt van ontmoeting verhoudt. De verhouding van de mens tot dit punt van ontmoeting is bepalend voor zijn verhouding tot zichzelf, tot God en tot het leven. Deze verhouding is ook bepalend voor hoe hij staat tegenover de begeerten die in hem leven.

De verhouding van de individuele mens tot dit punt van ontmoeting bepaalt hoe hij is en hoe hij handelt.

De mens verhoudt zich goed tegenover zichzelf als hij toestaat dat zijn ‘zelf’ allereerst gevormd wordt door zijn verhouding tot God. In dat geval beantwoordt hij aan zijn bestemming omdat zijn geest is aangelegd op God. Als de verhouding tot God voor hem het belangrijkste is geworden, staat hij positief tegenover deze verhouding. Als deze verhouding tot God goed is, oefent de geest van de mens, die naar God ziet, op de plaats waar de geest de ziel ontmoet (het hart) invloed uit op de zielstoestand van de mens, d.w.z. op zijn verstand en zijn wil en zo ook op zijn begeerten, die ofwel goed ofwel kwaad kunnen zijn. Voorwaarde daarvoor is dat de mens ‘rein van hart’ is. Alleen zo kan Gods kracht in hem positief werken. Het afgestemd zijn op het hogere vormt de ingang voor deze kracht in de ziel. Voor deze kracht moet het individu open staan. Alleen dan ‘functioneren’ zijn verstand en wil zoals ze moeten doen. Alleen dan bereikt hij zijn bestemming en wordt hij volledig mens, kan hij ‘zichzelf zijn’.

 

In de tijd na Luther werd in de antropologie ‘de geest’ als opening in de mens naar een hogere en diepere werkelijkheid vergeten. De mens werd gereduceerd tot een wezen met ‘verstand’ en ‘emotie’, terwijl op de achtergrond het onderbewuste zijn onverklaarbare rol speelde. Men ging eraan voorbij dat de mens allereerst en ten diepste geest is. Zo sneed men de mens af van de bron van zijn leven. Wij hebben dus te maken met een verkommerde antropologie, waarin men het hart (als het punt waar geest en ziel elkaar ontmoeten) niet meer kent.

Ik kan het ook anders zeggen: Wij kennen niet meer de diepere en hogere werkelijkheid waar het hart zijn wortels heeft. Dostojewski brengt het zo onder woorden: ‘Veel blijft er op de aarde voor ons verborgen, maar in plaats daarvan heeft God diep in onze ziel een mysterieus besef gelegd van een levende band tussen ons en een andere wereld, een verheven, hogere wereld: onze gedachten en gevoelens wortelen dan ook niet hier, maar in andere werelden. En het is daarom dat de wijsgeren zeggen dat het wezen van de dingen op aarde niet te vatten is. God nam zaden uit anderen werelden en strooide die op de aarde. Hij verzorgde zijn tuin en alles wat op kon komen, kwam op, maar dit gewas is alleen maar levend en levensvatbaar door het gevoel van zijn verbondenheid met een mysterieuze andere wereld. Als dat gevoel in je zwakker wordt of verdwijnt, dan sterft datgene wat in ons is opgekomen. Dan wordt het leven je onverschillig en je zult het zelfs gaan haten. Dat is mijn gedachte.’

 

De sleutel tot het hart

Hoe kreeg Luther toegang tot het hart, het diepste innerlijk van de mens? In zijn voorrede op zijn vertaling van de Psalmen spreekt hij zich erover uit. Hij zegt dat de mens toegang krijgt tot het hart door een combinatie van twee factoren.

Allereerst door allerlei gebeurtenissen in het leven. Ze doen een appèl op de dieper liggende gevoelens in de ziel, waardoor de vraag wakker wordt naar een verklaring: ‘waarom gebeurt dit?’; ‘wat heeft dit te betekenen?’; ‘hoe ziet nu de toekomst eruit?’; ‘waar dient het leven voor?’ etc. etc.  De gebeurtenissen in iemands leven; de toekomst die zich (aanlokkelijk of afschrikwekkend) opent; verliezen die geleden worden; het zien van wat er in de wereld gebeurt met alle vragen die dit oproept – dat alles trekt een vore door de dichte akker van het menselijk innerlijk en woelt het open.

Dat het innerlijk van de mens open gaat, betekent niet altijd dat iemand daadwerkelijk greep krijgt op zijn innerlijk. Als men met de vragen die de (eigen levens-) geschiedenis oproept geen raad weet, is er grote kans dat iemand schuchter wordt, gesloten en angstig, waardoor de weg naar het hart wordt versperd. Iemand weet geen raad met wat er in hem om gaat.

De tweede voorwaarde waaraan voldaan moet worden voor het openen van het innerlijk is dat men de Bijbel kent. De eigenlijke sleutel tot het hart is de Heilige Schrift. Het hart van iemand gaat alleen dan open als hem in de stormen van het leven een weg gewezen wordt, zoals dat een schipper kan gebeuren in nachtelijk noodweer. Een ster wijst hem de weg. De ster op de zee van het leven, in de stormen van het leven is voor de individuele mens het Woord van God.  Pas wanneer iemand in de stormen van het leven wordt bijgelicht door de Bijbel, is hij in staat zijn hart te openen en heeft hij toegang tot zijn hart.

 

De verwikkelingen van het leven doen een appèl op iemand. Ze laten de diepste gronden naar boven komen. De Bijbel, als openbaring van God, zorgt ervoor dat het daar niet bij blijft, maar dat er een vermoeden rijst van een antwoord op de diepste vragen die naar boven wellen en dat er een pad geëffend wordt tot dat antwoord.

Luther wist maar al te goed wat het betekent dat iemand door het leven in een labyrint van vragen terecht komt. Hij wist wat het betekende dat er vragen naar boven komen, die iemand voordien niet zo had, juist ook omtrent zichzelf. Hij wist ook van de gids die hem in staat stelde de weg te vinden in het labyrint van zijn hart. De Bijbel werd zijn gids. Dat geldt vooral van de Psalmen.

Luther kwam de vragen waar hij in zijn leven tegenaan liep, ook tegen bij de aarstvaders, de profeten, de discipelen, de tijdgenoten van Christus en Paulus. Hij kwam ze vooral tegen in de Psalmen. Hij zag daarbij hoe de Psalmist in het licht van God met deze vragen omging, hoe hij in God zijn houvast en zijn rust vond. Vandaar dat hij in het ‘woord vooraf’ van zijn bijbelvertaling bij de Psalmen opmerkt: ‘In de Psalmen zien we Gods heiligen in het hart.’

 

Waarom Luther Bach aansprak

We komen nu tot een antwoord op de vraag waarom Luthers vertaling en zijn gezangen zo aanspraken. Toen de diepste vragen van het leven door hem heen gingen, heeft hij in de Bijbel de stem van God gehoord. Zij wees hem de weg in het labyrint van zijn innerlijk. In de Bijbel wordt de taal van het hart gesproken, de taal van de Heilige Geest. Die taal heeft Luther gehoord, begrepen en overgebracht in zijn bijbelvertaling en liederen. In beide doet hij de ‘melodie’ van de taal van de Schrift recht. En deze ‘melodie’ is de taal van het hart.

 

Deze ‘melodie’ heeft Johan Sebastian Bach gehoord en begrepen. Hij heeft haar in zijn muziekstukken vertolkt. Een voorbeeld kan volstaan.

In zijn lied ‘Christ lag in Todesbanden’ vertelt Luther over de verlossing van de zonden. Op een bijzonder fijnzinnige manier geeft hij in enkele sprekende beelden weer wat Christus in zijn sterven en opstanding heeft gedaan: de verlossing van de zonde.

Luther vertelt over de nacht van de uittocht uit Egypte (het Pascha). De Israëlieten mochten geen zuurdesem in het brooddeeg doen, zodat het brood niet zou gisten. Zuurdesem hoort bij het oude Egypte. De nacht van de uittocht is ook de nacht waarin een lam geslacht werd. Het bloed daarvan werd gestreken aan de deurposten. Pas wie dat deed, kon uit Egypte verlost worden en de gang maken naar het beloofde land, Israël.

Dan trekt Luther een parallel. Christus is het Lam dat op Goede Vrijdag (het Joodse Pasen) op Golgotha stierf. Dankzij Hem hoeven wij niet meer te eten van het zuurdesem van de zonde en het kwaad. Doordat Hij de dood ingaat, worden de kluisters van de dood gebroken. Het bloed van Christus opent voor de gelovige de weg naar het paradijs: de posten van zijn hart worden ermee bestreken, maar ook de toegang tot het graf. Het graf staat open, de steen is weggerold. Men kan uit het graf treden de morgen in, de morgen van Pasen. Zoals Israël naar het beloofde land gaat, gaat het Paradijs voor ons open. De dood jaagt geen schrik meer aan.

Al deze elementen die de verlossing uitmaken, komen in enkele korte strofen bij elkaar en vormen één blijde boodschap! Elke strofe wordt afgesloten met het kruiswoord ‘Het is volbracht’.

Bach die de boodschap van dit gezang heeft begrepen, heeft haar muzikaal vertolkt, vooral in de zin die aan het slot van elk couplet terugkeert: ‘Het is volbracht’. Dat is ook het geval aan het slot van het tweede couplet, waarin het akelige duister van de dood wordt getekend. Bach zag kans het lege en uitzichtloze van de dood te verbeelden in zijn muziek – men hoort zachte, desolate klanken die langzaam wegsterven. Maar dan klinkt het ‘Het is volbracht’. Ook deze woorden klinken zacht, maar ze blijven klinken, over de uitstervende klanken heen. Ze reiken over de leegte van het dodenrijk heen – naar de jubel van de opstanding in het volgende couplet. In dat couplet klinkt de triomf van de overwinning. Het ‘Het is volbracht’ klinkt als een jubel.

Hier hoort men de taal van het hart. Het is de taal van Luther, opgevangen en doorgegeven door Bach.

 

Wat hier gebeurt, heeft Johan Georg Hamann (een andere Lutheraan die Luther begrepen heeft) weergaloos onder woorden gebracht. In een van zijn geschriften vergelijkt hij iemand die aangesproken wordt door de Bijbel met iemand die geen muzieknoten kan lezen. Hij ziet de noten op het blad staan, maar kan niet begrijpen welke muziek er ‘achter de noten zit’. Veronderstel dat een beroemde organist vervolgens de muziek begint te spelen. De toehoorder wordt overweldigd: staat dát er? Die ervaring had Luther toen door de Heilige Geest de bijbelwoorden voor hem open gingen. Op eenzelfde manier is het Bach vergaan. Hij ‘hoorde’ in de teksten van Luther de muziek van het Evangelie. Doordat hij deze muziek stem gaf, kunnen wij dezelfde ervaring opdoen als Luther toen hij de Schriften ging begrijpen. Plotseling verstaan we door toedoen van de muziek van Bach het Evangelie en roepen we uit: ‘Staat dat er?!’

Wat Bach laat horen is de taal van Luther, dat wil zeggen: de taal van de Schrift – de taal van het hart.

Klik op Lezing Dr. H. Klink voor een versie in PDF.

 

Comments are closed.

WP Like Button Plugin by Free WordPress Templates